Informatiekrant SWV Po Zaanstreek

Regulier en speciaal onderwijs zitten op een collectieve schatkist

Dekkend netwerk

Regulier en speciaal onderwijs kunnen nog meer samenwerken om een dekkend netwerk te creëren, zodat er geen kinderen buiten de boot vallen. Hoe pak je dat aan? Een gesprek.

‘We gaan vandaag out of the box denken,’ belooft Marianne den Otter, docent bij Fontys OSO. Met de ambities van het Ondersteuningsplan 2024-2026 in het achterhoofd leidt Den Otter een gesprek over een dekkend netwerk van onderwijsprofessionals in de Zaanstreek.

Door de zorgplicht, zoals geformuleerd in de Wet passend onderwijs en de Jeugdwet, blijft de samenwerking tussen regulier en speciaal onderwijs volgens Den Otter vaak nog beperkt tot het medische circuit. ‘Maar die samenwerking kan ook een middel zijn om onderwijs over de hele linie inclusiever te maken. Regulier en speciaal onderwijs hebben samen veel kennis en expertise in huis; ze zitten op een collectieve schatkist waar nog veel meer uit geput kan worden.’

Den Otter citeert een liedtekst van Eli Asser: ‘We benne op de wereld om mekaar te helpen nietwaar!’

Het gesprek vindt plaats op Dynamica, een school voor speciaal onderwijs en speciaal voortgezet onderwijs in Koog aan de Zaan. Directeur Bob Vloedbeld zit tegenover collega-directeur Janneke Oosterman van CBS Tamarinde in Zaandam. Twee betrokken schooldirecteuren die graag willen brainstormen over verdere samenwerking tussen regulier en speciaal onderwijs, waarbij de inclusieve onderwijsvisie voorop staat.

 

Werkwoord

‘Inclusief onderwijs betekent een passende plek voor iedereen’ begint Oosterman. ‘Op cognitief vlak, maar ook op het gebied van sociaal-emotionele ontwikkeling. Idealiter is de school een afspiegeling van de samenleving, waar kinderen met diversiteit in aanraking komen: diversiteit van culturele achtergrond, religie, onderwijsbehoefte, noem maar op.’

‘Voorbij die verschillen heeft iedere leerling dezelfde rechten en kansen in de maatschappij’, vult Vloedbeld aan. ‘In de open mini-maatschappij van de school is het onze taak om leerlingen op de grote maatschappij voor te bereiden. Hoe organiseren we dat met elkaar? Om die vraag te beantwoorden is het nodig om inclusie niet als iets abstracts te zien, maar als een werkwoord.’

Zit er op de eigen school al beweging in het inclusieve ideaal? ‘Zeker’, zegt Oosterman. ‘Zo gaan er bijvoorbeeld kinderen uit het so naar Tamarinde, begeleid door verpleegkundigen. De ambitie is er dus, maar soms zit de praktische haalbaarheid in de weg. Het lerarentekort speelt ons uiteraard parten en ook op het gebied van het support system is ontwikkeling nodig. We hebben in de school wel een gedragsspecialist, maar nog geen orthopedagoog, en zonder die vlot inzetbare expertise is het soms moeilijk om aan vroege preventie te doen.’

Inclusie wordt door onderwijsteams vaak als een flinke kluif gezien. Den Otter introduceert het begrip ‘collective teacher efficacy’, de gedeelde overtuiging van een team dat zij samen de capaciteiten in huis hebben om leerlingen te laten slagen in het onderwijs.

 

Vreedzame school

‘Je moet inderdaad een collectieve visie hebben’ beaamt Vloedbeld. ‘Op Dynamica hebben we de ontwikkeling van de leraar als centraal uitgangspunt: wie ben jij, wie zijn wij, waarom heb je voor het onderwijs gekozen? Vaak antwoorden leraren op die laatste vraag dat ze het verschil willen maken voor leerlingen. Iedereen herkent zich daarin, dus dat hebben we uitgewerkt tot ons leidende schoolplan.’

Als collectief omarmt het team volgens Vloedbeld de inclusieve gedachte, maar op individueel niveau bekennen leraren soms twijfels. Dan zeggen ze: ‘inclusief onderwijs, een prachtig ideaal, maar je zal nu eenmaal altijd kinderen overhouden die ‘speciaal’ zijn. Als coördinator moet je dat gesprek blijven aangaan, met inclusie als kader. En dan helpt het wél om die gedeelde kernwaardes te hebben, waar je samen op terug kunt vallen.’

Oosterman: ‘Ook op Tamarinde werken we met het concept ‘vreedzame school’. Een tijdje terug trilde de school op zijn grondvesten door de complexiteit van de vele hulpvragen en dat was fnuikend voor het competentiegevoel van onze leraren. Als je overbelast bent kan je nu eenmaal geen leerkrachtvaardigheden ontwikkelen.’

Het is volgens Oosterman begrijpelijk dat leraren soms handelingsverlegen worden, omdat ze nog niet altijd door voldoende expertise worden ondersteund. ‘En dan stromen kinderen sneller door naar het so. Door het gebrek aan ondersteuning blijven veel mensen in de onderwijswereld denken in binaire keuzes tussen regulier of speciaal. Inclusief onderwijs vergt veel flexibiliteit, want je gaat kijken naar wat het kind zélf nodig heeft, en pas als leraren zich meer ondersteund weten kan het onderwijs flexibeler worden. Dat lijkt me de grootste uitdaging binnen het samenwerkingsverband: iedereen op de juiste plek krijgen, zodat de onderwijsprofessionals in dienst van de kinderen staan.’

Kleine ontmoetingen

‘Het regulier en speciaal onderwijs hebben elkaar nodig’ observeert Vloedbeld. ‘De ontwikkeling van de leerling blijft vaak een geval van losse eilandjes: pedagogie, logopedie, fysiotherapie, de thuissituatie. We moeten veel meer vanuit een holistisch perspectief naar ons potentieel aan capaciteiten gaan kijken – en dus ook beter beoordelen welke capaciteiten we precies kunnen uitwisselen. Bij het so hebben we bijvoorbeeld behoefte aan méér ondersteuning op het didactische vlak.’

‘Zullen we dan een gezamenlijke studiedag organiseren?’ stelt Oosterman aan Vloedbeld voor.

Vloedbeld is meteen enthousiast: ‘Dat vind ik een heel tof idee!’

‘Inclusie hoeft niet te beginnen bij megaprojecten die door besturen van bovenaf worden opgelegd’ vat Den Otter samen. ‘Vaak zijn good practices juist charmante kleine projecten die zich als een olievlek verspreiden.’

Vloedbeld knikt. ‘Mijn school staat pal naast een reguliere school; OBS De Watermolen. Als buren ontwikkelen we samen een natuurspeelplein, waar kinderen van beide scholen elkaar kunnen ontmoeten.’

Leerlingen van De Watermolen en Dynamica doen ook samen mee aan de Koningsspelen. ‘Natuurlijk zijn dat allemaal nog kleine initiatieven’ geeft Vloedbeld toe. ‘Voor onze twee scholen zijn zulke initiatieven bovendien een stuk makkelijker te verwezenlijken dan voor andere, want wij zijn buren van elkaar. Maar je beseft wel: ontmoetingen zijn een integraal onderdeel van de inclusieve gedachte. En het begint altijd met kleine ontmoetingen.’